|
|
Ingezonden informatie door leden |
|||||||
| Bedreigd Groen | ||||||||
| Kunstmarkt | ||||||||
| Uit het atelier van T.S.R het ontstaan van een modern kunstwerk | ||||||||
| Expositie Ronostrand | ||||||||
|
|
||||||||
|
in het landschap rond Roden en Nietap. Marianne Verbeke. In het kader van de plannen die de gemeente Noordenveld heeft voor de uitbreiding van woningbouw in het gebied rond Roden, hebben een aantal leden van de TSR zich de laatste maanden bezig gehouden met het schilderen van natuur en landschap in de omgeving van Roden. Deze schilderijen zijn nu onder de naam Bedreigd Groen tentoongesteld in het gemeentehuis van Roden. De namen van de werkstukken geven aan waar de plek die geschilderd is zich topografisch bevindt, maar de schilderijen zijn (enigszins) gegroepeerd naar landschap. Als achtergrondinformatie volgt hier een beschrijving van de soorten landschappen (met iets over de grondsoort, ontstaan en begroeiing), die in Roden en omgeving voorkomen.
Drenthe wordt gekenmerkt door het zogenaamde esdorpenlandschap. Het dorp Roden was van oudsher een esdorp, met de gemeenschappelijke landbouwgronden (de es) buiten het dorp, de hooilanden (maat/madeland) en weidegronden in het beekdal en de stukken bos (het holt) op de overgang van de es naar de woeste (heide)gronden, het ‘veld’. Zoals blijkt uit de naam Roderesch, lag aan de zuidkant van het dorp een van de essen. Zo’n es is landschappelijk vaak nog herkenbaar aan een open akkercomplex dat omgeven is door een dichtbegroeide houtwal. Voor de landbouw werden hoger gelegen vochtige gronden uitgezocht en deze es lag dan ook op een matig ontwaterde keileemgrond, die bestond uit een ondergrond van keileem en een bovengrond van dekzand. De flora hier bestaat vooral uit de meer bekende akkeronkruiden, zoals Akkerviooltje, Hennepnetel, Knopherik en Gele ganzebloem. De laatste was een van de meest gevreesde onkruiden op de vroegere Drentse essen. In een droog voorjaar kon deze plant een rogge-, gerst- of haverakker volledig overwoekeren. Het soort bomen dat het goed op deze grond doet, is vochtig Berken-Eikenbos of Beuken-Eikenbos, met daaronder Hulst, Hazelaar, Klimop, Vlier, Blauwe bosbes en Salomonszegel. Als dit gekapt wordt, verschijnt er vochtige heide. In de veertiende eeuw was er hier in het zuiden van Roden, behalve de es, ook heide. Daar werd toen een stenen huis gebouwd, waarvan de eigenaren bossen aan lieten planten om daar het hout van te kunnen verkopen. Zo ontstond het Mensinghebos, dat met name door zijn prachtige beuken en monumentale eiken zo waardevol is. Deze oude landgoedbossen strekken zich uit tot aan het beekdal van het Lieverse Diep, een onderdeel van het stroomdalstelsel van de Drentse Aa. Op de overgang naar het beekdal komen nog natuurlijke broekbossen (moerasbos) voor. In tijden van grote wateraanvoer treedt de beek nog wel eens buiten zijn oevers, met het gevolg dat in de madelanden een zeldzame plant als de Adderwortel kan groeien. Aan de zuidwestkant van Roden lagen de woeste gronden van het Roderveld; een nat veenachtig heidegebied, waar een zandrug doorheen liep, die men de Hullen noemde vanwege de hoge ligging (hulle = hoogte). Door dit gebied ging het stroompje De Loop, dat in de Middeleeuwen een brede stroom was die vaak buiten zijn oevers trad (nu Steenberger Loop); vandaar dat oorspronkelijk de weg naar Zevenhuizen over De Hullen liep. Het was een streek met van oudsher een arme bevolking; tot in de vorige eeuw stonden er nog plaggenhutten op het Roonderveld. Het voorkomen van de naam Scheperij ten noorden van Nieuw Roden herinnert nog aan de tijd dat hier schapen geweid werden. Het is nog niet eens zo lang geleden dat deze veldgronden ontgonnen werd. In het landschap van zulke jonge veldontginningen bepalen open ruimten met hier en daar wat struikgewas het beeld. De Kaatsweg loopt door dit gebied, de namen van de Hullenweg en Veldweg herinneren nog aan de oude situatie. De es ten zuiden van het dorp is niet de enige es die Roden had. In 1495 is er in een Roder willekeur ( een besluit/overeenkomst) sprake van een oosteresch, waarop de boeren verplicht waren een bepaalde hoeveelheid bonen te zaaien.Over deze es is verder weinig bekend.
De naam Zulthe doet denken aan de oude naam van het Leekstermeer: het Zulthemeer. Het woord zulte betekent zilt/zout. Het Leekstermeergebied is het enige stukje Drenthe dat onder de zeespiegel ligt. Roden ligt op de rand van het Drents plateau, waar de benedenloop van het stroomdalstelsel van de Drentse Aa begint. De brede laagvlakte ten noorden van Roden en Peize stond in de vroege Middeleeuwen nog in verbinding met de Lauwerszee-boezem, waardoor het water in het Leekstermeer brak (zilt) werd. Het stroompje De Bitse loopt van de westkant van Roden, waar het plaatsje Zulthe lag, naar het noorden en stroomt nog altijd in het Leekstermeer uit. Waarschijnlijk was het overstromingswater van dat beekje ook wat zilt en lag het gehucht Zulthe misschien op brakke grond, waar het dan zijn naam aan te danken heeft. De Maatlanden liggen op de bijzondere grondsoort potklei, dat voorkomt in een gebied dat zich uitstrekt van Lieveren in het zuiden van Roden tot aan Nietap in het noordwesten en Foxwolde in het noordoosten. Deze potklei komt voor tot vlak onder het maaiveld en komt zelfs op sommige plaatsen aan de oppervlakte. Kenmerkend voor dit landschap zijn de beslotenheid, landgoedachtige structuren en kleine bosgebieden. De vele houtwallen en singels vervullen in het gebied een functie als broed- en fourageergebied voor tal van zang- en roofvogels. Het kleinschalig cultuurlandschap zorgt ook voor veel soorten zoogdieren, zoals boommarter, bunzing, wezel, hermelijn, eekhoorn en ree. Vooral de nattere gedeelten zijn vaak begroeid met bos, en dan vooral met Vogelkers, Es en Zwarte els. Op de drogere delen komen Zomereik en Beuk voor. In de onderlaag groeien Hazelaar, Meidoorn en Sporkehout en in de kruidlaag Bosanemoon, Wilde kamperfoelie, Grote muur,Salomonszegel, Knopig helmkruid, Schedegeelster, Heelkruid en Witte klaverzuring. Karakteristiek voor de natste gedeelten zijn de grasgroene pollen van IJle zegge, pollen Reuzenzwenkgras en flinke plakkaten Heksenkruid. Opvallende zeldzaamheden van deze nattere potkleibossen zijn Muskuskruid en Bosereprijs. Beide hebben in het Nietapsterbos een grote vindplaats in de oude bosstrook in het talud van de Zwarte Ryth, waar spittende monniken bij de aanleg van de vaart de minder ontkalkte onderlaag van de potklei lijken te hebben blootgelegd. De kloosters zochten speciaal de kleibosjes op, want de taaie klei leverde uitstekende baksteen voor kloostermoppen. De tichelgaten die bij het opgraven van potklei ontstonden zijn nog herkenbaar in de Kleibosch bij Roderwolde en in de buurt van Terheyl op de kruising van de Tautenburgsingel met het fietspad. Dit laatste tichelgat bestaat, net als een aantal sloten in de omgeving, uit elzenbroekbos met een ondergroei van Oeverzegge en Moerasspirea. Ten noorden van de Tautenburgsingel ligt nog een bijzonder overblijfsel: een vennetje, dat als pingo ontstaan is in de ijstijd, waar de bevolking de naam Vagevuur aan gegeven heeft. Het potkleigebied tussen Roden en Leek zet zich tegenover het Nietapsterbos nog voort ten westen van de Natuurschoonweg, waar deze uitloper net noordelijk van Terheyl duidelijk te zien is als een flinke verhoging in het landschap, aan de rand van het laagveen. De aanwezigheid ervan verraadt zich hier door het plaatselijk voorkomen van de karakteristieke doornhagen van Meidoorn, Sleedoorn en Hondsroos en door het voorkomen van de bosplanten Nagelkruid, Bosandoorn, IJle zegge en Gewoon heksenkruid.
(Geraadpleegde literatuur: Theo Spek: Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie. 2dln. Utrecht, 2004. Het Drentse Landschap. Handboek. Assen, 2003. Atlas van Historische Topografische Kaarten. Drenthe. Landsmeer, 2007.)
Het ontstaan en de ontwikkeling van het Drentse landschap. Marianne Verbeke.
Landschapsgeschiedenis is voor een belangrijk deel de manier waarop generaties bewoners in het verleden zijn omgegaan met de mogelijkheden en beperkingen die de natuur hun bood. De provincie Drenthe wordt gedomineerd door het zogenaamde esdorpenlandschap, dat tot de oudste cultuurlandschappen van Noordwest-Europa behoort. Men zou kunnen stellen dat de basis van het Drentse landschap gelegd is door drie achtereenvolgende ijstijden die vanaf 680 duizend jaar geleden invloed gehad hebben op de vorming van de bodem. De eerste ijstijd heeft gezorgd voor de Drentse potkleigebieden, die ten zuiden van de Elsterien landijskap ontstaan zijn op de bodem van grote meren met dooiwater. Die potklei is nu te vinden in de gemeente Noordenveld (in ruime mate), ten noorden van Anderen, ten zuiden van Hooghalen en op een paar plekken bij Lhee in het zuidwesten van de provincie. De tweede ijstijd liet in Drenthe een metersdikke laag keileem, rijkelijk bestrooid met zwerfstenen, achter: het Drents Plateau. Toen het ijs op dit plateau smolt, gaf het afstromend water vorm aan de tientallen grote en kleine beekdalen die tot op de dag van vandaag het landschap van Drenthe bepalen. In de laatste ijstijd (die tienduizend jaar geleden eindigde) werd Drenthe zelf niet bedekt door ijs, maar ijzige poolwinden voerden grote hoeveelheden fijn zand uit het droogliggende Noordzeebekken aan, die het plateau toedekten met dekzand. Uit deze ijstijd stammen ook de talrijke vennen en meertjes op het Drents Plateau (meestal ‘dobben’ of ‘veentjes’ genoemd). Sommige hiervan zijn ontstaan als komvormige uitblazingslaagten in het dekzand, andere behoren tot de zogenaamde pingoruïnes (‘pingo’ is een woord van de Eskimo’s, dat in de vorige eeuw gebruikt werd door geologen om een bepaald verschijnsel uit deze IJstijd mee aan te duiden).
Toen na de laatste IJstijd de temperatuur ging stijgen, kregen plantenwortels vat op het dekzand en op die plaatsen ontstonden dekzandruggen, afgewisseld met laagten waar het zand juist uitgestoven werd. Naarmate het warmer werd, steeg de zeespiegel, met het gevolg dat rivieren en beken hun water minder gemakkelijk konden afvoeren en het overal een stuk natter werd. De keileemlaag op het plateau was slecht waterdoorlatend, zodat er ook bovenop in de brongebieden van de beken en in de dalen waar de keileem niet al uitgesleten was, veenvorming kon plaatsvinden. Door de hogere temperatuur en het vocht werd het Drents Plateau geheel bedekt met bossen, maar er kwamen ook hele gebieden onder water te staan en langs de randen ontstonden moerassen. De eerste bomen die verschenen waren de Grove den,de Berk en de Jeneverbes (tienduizend jaar geleden), later de Linde, de Eik en de Iep(zevenduizend jaar geleden). In Drenthe heeft de prehistorische bewoningsgeschiedenis een zeer grote erfenis nagelaten. Maar de mens is pas invloed op het landschap uit gaan oefenen toen hij van jager landbouwer werd (4400 v. Chr.), omdat hij daarvoor stukken bos moest gaan kappen of afbranden. Deze prehistorische mens woonde op de lichte, leemarmere zandgronden, waar hij toen met de beperkte middelen die hij had, in staat was de niet zo zware bossen te ontginnen. Landbouw deed de bevolking toe nemen, de onbemeste akkers werden snel uitgeput, en steeds meer bosgebied moest worden omgezet in akkergrond. Op zo’n uitgeputte bodem kan alleen heide gedijen, dus de eerste Drentse heidevelden moeten al minstens 3000 jaar geleden ontstaan zijn.
Aan het einde van de vroege Middeleeuwen (rond 1000 n. Chr.) bestond 40% van Drenthe uit hoogveen. Op de hogere zandruggen en de zandeilanden tussen de beekdalen kon men nog goed wonen en door de verbeterde techniek kon men de zwaardere keileemgronden, waar de oerbossen op groeiden, ook gaan ontginnen. Vanaf deze tijd begon een cultuurlandschap langzaam maar zeker vorm te krijgen. Er ontstonden dorpen tussen de beekdalen en de hogere gronden. De Drentse boeren waren op de eerste plaats landbouwers en zij hadden hun landbouwgronden op een of twee grote open akkercomplexen vlak bij het dorp. Deze gemeenschappelijke essen waren opgebouwd uit grote ontginningsblokken, die weer onderverdeeld waren in smalle stroken, van elkaar gescheiden door smalle greppels en grasstroken. Een zandwal begroeid met bomen en struiken, de zg. eswal, omgaf de es ter voorkoming dat er vee over rond ging zwerven. Langs de rand lagen soms restanten van de vroegere bossen, waarmee het keileemplateau begroeid was geweest. Zo’n afgeperkt bos (het ‘holt’) werd gebruikt voor timmerhout. Het feit dat de essen vaak duidelijk hoger liggen dan het omringende landschap heeft niet alleen met de oorspronkelijke natuurlijke omstandigheden te maken. Om de essen vruchtbaar te houden waren grote hoeveelheden mest nodig. In de potstal (een stal met een verdiepte bodem) vormde de mest van het vee, vermengd met stro en plaggen, een dikke laag die op gezette tijden over de es werd verspreid. Op den duur kregen de essen een bolle vorm vanwege de toegevoegde lagen mest en zand. De nabijheid van water was belangrijk, want in het oude Drentse boerenbedrijf waren de ‘groenlanden’ van het beekdal onmisbaar, omdat het dorp daar zijn vee weidde. De nattere delen dichter bij de beek, de ‘made/maatlanden’, gebruikte men als hooilanden. Runderen werden destijds meer voor de mest dan voor het vlees of de melk gehouden.
Aanvankelijk bestond de veestapel van de Drentse boer hoofdzakelijk uit runderen, enkele varkens, wat geiten, en maar soms een paar schapen. Pas vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw kwam de schapenhouderij in opkomst, toen er vanuit Noord-Nederlandse steden vraag naar inlandse wol kwam. Hierdoor gingen op de veldgronden bij de esdorpen kruiden en grassen massaal plaats maakten voor heide. Er werden afspraken gemaakt over het aantal schapen dat men per ‘waardeel’(het stukje van de gemeenschappelijke veldgrond, dat aan iedere individuele boer werd toegekend) mocht weiden, in verband met overbegrazing. Desondanks ontstonden er in de loop van de tijd toch grote zandverstuivingen als gevolg van de intensieve begrazing en het steken van heideplaggen. Deze zandverstuivingen waren vooral een grote bedreiging voor de essen; zand verstikte snel de jonge aanplant en een zandstorm kon een hele oogst doen mislukken. De uitvinding van de kunstmest bracht overal verandering in, omdat het landbouwsysteem toen niet langer afhankelijk meer was van de mest uit de potstal. Aan het einde van de negentiende eeuw brak het tijdperk van de grote ontginningen aan. De Drentse heide moest het veld ruimen voor de landbouw. Na de ontginning werd op de slechtere delen doorgaans meteen productiebos aan gelegd; eigenlijk akkers met bomen, waarbij de verkoop van hout centraal stond in de exploitatie van deze bossen. Pas in de jaren zestig kregen de staatsbossen een meer recreatieve functie. Van de oude Drentse essen is heel weinig meer over. De akkertjes zijn meestal door kavelruil opnieuw verdeeld tot efficiëntere percelen. De groenlanden langs de beken verloren in de twintigste eeuw hun functie, toen ten behoeve van de landbouw het grondwaterpeil vrijwel overal decimeters ging dalen. De beken werden rechtgetrokken en zo breed gemaakt, dat de stroom snel het vele water kon afvoeren. In het jargon van de jaren vijftig en zestig heette dat ‘normaliseren’.
De veengebieden van de provincie waren in de vroege Middeleeuwen de ontoegankelijke moerasgebieden aan de randen van het Drents Plateau. Vanaf ongeveer de elfde eeuw tot halverwege de twintigste eeuw zijn deze lagere delen geleidelijk aan ontgonnen voor de turfwinning. De grote veenmoerassen werden door kanalen en wijken ontwaterd en het veen werd afgegraven. Het landbouwgebied dat hierdoor ontstond, wordt gekenmerkt door rechte lijnen en veel lintbebouwing. De plaatsnamen bevatten vaak woorden die nog verwijzen naar het vroegere landschap, zoals veen, peel, moer, wold, kanaal en wijk. Er zijn nog twee gebieden die niet volledig ontgonnen zijn en waar het oorspronkelijke hoogveen nog aanwezig is: het Bargerveen in het uiterste zuidoosten van Drenthe en het Fochteloërveen in het noordwesten op de grens met Friesland. Sinds het einde van de vorige eeuw zijn steeds meer mensen anders over de betekenis van de natuur gaan denken. Door de aankoop van grote gebieden in Drenthe en een zorgvuldig beheer hiervan, zetten een aantal natuurorganisaties zich sinds die tijd in voor het behoud van het oude landschap.
(Geraadpleegde literatuur: Theo Spek: Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie. 2dln. Utrecht, 2004. Het Drentse Landschap. Handboek. Assen, 2003. Atlas van Historische Topografische Kaarten. Drenthe. Landsmeer, 2007.)
|
||||||||
|
Afgelopen
donderdagmiddag heeft de officiële opening plaatsgevonden van de expositie
die de vrijdagsgroep van de T Bron: De Krant
|
||||||||
|
Bijzondere activiteiten van TSR.
Juni was in Roden de Kunstmaand. Op initiatief van Jacqueline Haarsma die bedrijfsleidster is van Prokan, een bedrijf dat kantoorartikelen maar ook in schildersmaterialen op de markt brengt, had juni het karakter van Kunstmaand gekregen. TSR doet daar graag aan mee. Op vier zaterdagen hebben leden van de teken-en schildergroep buiten hun atelier gewerkt. Op de kunstmarkt was er ook een kraam waar leden werkten en hun werk konden verkopen. Er was veel belangstelling. Bezoekers waren ook geïnteresseerd in een lidmaatschap. Ze vroegen vaak naar informatiemateriaal. De zaterdagen geven een beetje een Franse sfeer, Place du Tertre, rond Prokan. In de winkel was een groot schilderij tentoongesteld waar door bezoekers aan TSR is gewerkt.
|
||||||||
|
Uit het Atelier van T.S.R : het ontstaan van een Modern Kunstwerk
Saskia van der Berg schildert met diverse soorten materiaal. En zij is niet bang voor het experiment. Op de vraag hoe zij tot haar ideeën komt, antwoordt ze dat ze vaak ’s-ochtends vroeg een ingeving heeft. Op de fotoserie, in het atelier van TSR gemaakt door Paul de Vries, zien we hoe het proces van haar schilderen verloopt. Wim Heesen, één van de docenten van TSR geeft tenslotte zijn oordeel. Dit schilderij van Saskia is gemaakt op doek, met acrylverf, jute en papier.
|
||||||||
|
|
||||||||